donderdag 26 augustus 2010

Disclaimer: Blogger wil geen goede grote foto's posten, dus klik op de foto om hem helemaal te bekijken.



Zittend op mijn bed, met mijn lonely planet gids in mijn hand bedenk ik wat ik morgen ga doen. De gids geeft een aantal ideeën, maar die lijken mij allemaal iets te toeristisch. The blue mountains lijken een goed idee, maar ook daar schijnt het allemaal wel erg toeristisch te zijn. De gids raadt een toer aan, maar daar heb ik een hekel aan. Ook het hostel bied voor 60 euro een toer aan. Na een beetje onderzoek blijkt dat ik voor 12 dollar met de metro naar een dorpje in de blue mountains kan, kost wel twee uur reizen.

Ondertussen bekijk ik op google maps de route naar mijn volgende bestemming, Wollongong. Een dorp in een natuurgebied 80 km ten zuiden van Sydney. Opeens valt me een groot natuurpark op, vlak onder Sydney, waar in de lonely planet gids niets over staat geschreven. Het intrigeert me. Ik kijk op de website van het Royal national park, zoals het park heet, en zie dat je er kan mountainbiken. Een snelle zoektocht over het internet leert dat ik voor 75 dollar een mountainbike kan huren. Ik speel even met het idee, maar laat het uiteindelijk afhangen van mijn stemming de volgende ochtend. Als ik de volgende ochtend na het ontbijt weer buiten sta, op de stoep voor de Scruffy Murphys(Iers ontbijt voor 10 dollar), besluit ik het fiets huren te laten zitten en op goed geluk naar het natuurpark af te reizen. Ik koop voor 4 dollar een retourtje naar het dichtstbijzijnde treinstation, Engadine. Daar aangekomen blijkt Engadine een echt stoffig suburbian dorp te zijn. vanaf het station loopt een smal bospad rechtstreeks het park in. Nog geen 3 stappen in het bos zie ik een stekelvarken lopen

Photobucket



Het blijkt een goed voorteken. De komende 4 uur zijn een oase van rust, overweldigende natuur, steile heuvels, diepe dalen, riviertjes en enorm diverse fauna. Hier en daar steken de eenzame, treurige getuigen van het Australisch bosbrand probleem zwart geblakerd boven het loof uit. Bij een bijzonder pittoreske oversteek, waar een riviertje even versmalt tot niet meer dan een klein stroompje, besluit ik mijn eerste pauze te nemen. Al snel lig ik even te doezen in de zon, tot een aanhoudend zoemende bij mij erop attent maak dat ik met mijn hoofd in zijn foerageer struik lig. Ik klim weer verder en langzamerhand verdwijnen de geluiden van beschaving, van menselijk leven überhaupt, uit de lucht. Ik realiseer me plots dat ik volkomen alleen ben in een kilometer omtrek. De gedachte doet mij heel nietig voelen, maar ook heel trots en blij dat ik dit mee mag maken. Na een uurtje of 2 kom ik bij een kruispunt van stroompjes, die zich bij de grote rivier voegen. Ik neem mijn tweede pauze en ga opzoek naar het vervolg van het pad, dat zo nu en dan niet meer is dan een verminderde dichtheid van begroeiing. via een stapel stenen in de rivier bereik ik de overkant en sta ik even stil om tegen de wel erg steile helling voor me op te kijken. Gelukkig hebben park rangers hier zo nu en dan traptreden aangelegd, zodat ik ook weet dat ik nog op het goede spoor zit. Al heb ik geen idee waar het pad heen leidt. Ik heb geen kaart van het gebied, en geen idee waar ik heen loop, behalve dat het zo'n 7 kilometer is van mijn startpunt. Na een heftige klim ben ik eindelijk bovenop deze heuvel. En het uitzicht is ontzagwekkend:

Photobucket

Na 4.5 uur geen ziel te zijn tegengekomen hoor ik eindelijk in de verte het geluid van mensen. Het blijken twee gemeentewerkers te zijn die een greppel aan het graven zijn. Ze zijn hogelijk verbaast mij daar te zien. Als ik ze vraag waar het dichtstbijzijnde treinstation is, moeten ze grinniken. Ik blijk naar het absolute centrum van Nergens te zijn gelopen. Ik vraag ze toch maar om een richting, en ze vertellen me dat ik de weg de heuvel op moet lopen. Ze voegen eraan toe dat ze over anderhalf uur klaar zijn, en als ze onderweg me tegen komen pikken ze me wel op. Dat beloofd niet veel goeds, aangezien ik al vrij vermoeid was van de tocht door de heuvels. Gelukkig komt alles op zijn pootjes terecht als ik een auto aanhoudt die langs rijdt. Het blijkt een getrouwd stel te zijn, die na enig wantrouwen - "are you a homocidal maniac intent on killing us if we give you a lift?"- me een lift geven terug naar de beschaving. Mijn toch al niet zo stevige vertrouwen in de mensheid heeft weer een boost gekregen. Met het gevoel een unieke ervaring te hebben beleefd, zo ver van de beschaving en helemaal alleen, stap ik in de trein terug naar Sydney. Ik neem me voor om in het vervolg meer op mezelf en minder op de lonely planet te vertrouwen.

maandag 23 augustus 2010

Het begin.

Waar te beginnen? In de eerste plaats een verklaring voor het feit dat deze blogpost zo lang op zich liet wachten: De Chinese overheid is niet zo happig op dingen als eigen mening en vrienden, dus dingen als facebook en blogger zijn uit den boze. Vandaar dus deze late eerste blog uit Australië.

Waar te beginnen. Bij het begin denk ik dan maar. Dinsdag reed ik met mijn mamma naar Frankfurt. Eerst het graf van Geert bezocht, de in de oorlog omgekomen verloofde van mijn moeders moeder. Dat was best een emotioneel moment. Na in het hotel geslapen te hebben was het tijd voor afscheid op t vliegveld. Dit ging verbazingwekkend goed. Toen naar Beijing. Na een 10 uur durende vlucht kwam ik om 7 uur 's ochtends aan op Beijing airport. Ik was gaar, had niet geslapen en was onervaren met China en reizen in het algemeen, en het belangrijkste: niet alert. Ik kreeg meteen de deksel op mijn neus. Achteraf zei een vriend uit het hostel in Beijing: zie het als een les. Ook voor levenslessen betaal je lesgeld, en je moet maar blij zijn als de kosten alleen maar in geld zijn. Ik denk dat hij een waardevol inzicht deelde.

Aangekomen op het vliegveld van Beijing kijk ik wat om me heen. Ik had al gelezen dat taxi's in Beijing het beste vervoermiddel zijn, dus ik loop richting de taxi standplaats. Als ik door de deuren stap wordt ik onmiddellijk belaagd door een Chinees die me aanspreekt en vraagt waar ik heen moet. In mijn naïviteit antwoord ik hem dat ik een hostel zoek, maar nog niet echt precies weet welke. Ik had al wel een of twee in mijn hoofd. De man zegt dat hij me wel kan brengen. Ik vraag hoeveel het gaat kosten. "500 yuang." Een kleine rekensom leerde mij dat dit ongeveer 50 euro was. Mijn eerste reactie is dan ook nee. Ik kijk om me heen, maar alle andere taxichauffeurs negeren me. Later bleek dat de man achter mijn rug ze gebaarden om mij niet mee te nemen. Ik zucht, en doe een tegenbod, dat al veel hoger ligt dan ik eigenlijk zou hoeven betalen. De man reageert alsof ik hem in zijn gezicht geslagen heb, en begint in half Chinees, half Engels te schreeuwen dat ik dat niet kan maken.Na een halve onderhandelingspoging, waar ik echt veruit zijn mindere in bleek, geef ik maar op en betaal 40 euro voor een taxi naar mijn hostel. Onderweg kijkt de man mij steeds via de spiegel aan, belt constant mensen, smst terwijl hij rechts over de vluchtstrook en verdrijvingsvlakken van de snelweg andere auto's inhaalt. Om me heen klinkt een kakafonie van toeters en ik begon hem wel een beetje te knijpen. Om mezelf wat zekerheid te bieden pak ik mijn stratenplan van Beijing uit mijn tas en probeer de straatnaam borden te lezen die langs zoeven, om te kijken of we enigzins de juiste richting op gaan. Dit blijkt wel zo te zijn. De man blijft aandringen dat ik hem nu betaal, maar ik was argwanend geworden, en vertel hem dat ik hem pas betaal als hij me heeft afgezet. Hierop grinnikt de man en glimlacht naar me met een lach die me niet aanstaat. Uiteindelijk komen we dan toch aan waar ik zijn moet. De man heeft de deuren van de auto op slot, en wil ze pas open maken als ik betaald heb. Als ik hem 50 euro geef en vraag om mijn wisselgeld schreeuwt de man iets over tolgeld. Ik heb hem inderdaad tolgeld zien betalen, maar dat was 10 yuang, omgerekend 1 euro 20, en niet 10 euro. Ik kibbel wat met de man, maar weet dat het weinig zin heeft. Ik neem mijn verlies en sleep mijn tassen de auto uit.

Zo wordt je als je in je eentje reist keihard met je eigen zwakke kanten geconfronteerd. In dit geval mijn gebrek aan sluwheid en onderhandel technieken. Gelukkig ontmoet ik in het hostel een boel enorm leuke mensen, waaronder Yftah, een Israëli. Hij blijkt in Jeruzalem gids te zijn en is behoorlijk door de wol geverfd als het op afdingen aankomt. Dit blijkt wel als we samen een dag optrekken door Beijing en we terecht komen op de Silk Market. Dit blijkt een soort markt achtig opgezet warenhuis te zijn, met honderden kleine hokjes die allemaal dezelfde spullen verkopen. Tassen, portemonnees en heel veel rotzooi. De cultuurshock als je daar binnen stapt is enorm. Overal staan Chinese meisjes en vrouwen en hier en daar een man die je proberen op de meest agressieve manier hun waar aan te smeren. Ze deinsen hierbij niet terug om je in je kont te knijpen en te roepen hoe mooi je bent ( 4 keer), je gewoonweg hun stalletje in proberen te duwen (6 keer), of je zelfs slaan met hun map met foto's van hun koopwaar( ontelbaar vaak). Iftah lijkt niet zo geschokt. Hij wil een tas hebben, dus we lopen door de oneindige hoeveelheid tassenstallen tot hij iets gevonden heeft wat hij zoekt. De Chinese vrouw kijkt hem schattend aan en noemt haar prijs. Prijs communicatie verloopt via een rekenmachine, waarop beide partijen hun prijs intoetsen. Aan de tas hangt een prijskaartje met 308 Yuang erop. De vrouw begint met bieden bij 450 Yuang. Yftah reageert door 50 Yuang te bieden. De vrouw begint te schreeuwen, slaan, lachen, weer te schreeuwen, en langzaam gaat haar prijs omlaag naar 300 Yuang. Yftah zit nog steeds op 50. Ik heb enorm veel geleerd van die middag, gewoon door naar hem te kijken. Negeren van de mensen heeft geen zin, daar zijn ze aan gewend. Wat veel beter werkt is ze als mensen behandelen. Zodra je ze een onverwachte, meestal persoonlijke, vraag stelt, of ze voor een probleem stelt zijn ze zo ondersteboven van de onverwachte reactie dat ze helemaal vergeten dat ze je iets proberen aan te smeren. Uiteindelijk gaat Yftah weg met de tas voor 100 Yuang, minder dan een kwart van de originele vraagprijs van de ongelofelijk koppige verkoopster. Ik oefen wat op de koop van een stropdas, maar heb nog veel te leren merk ik. Aan het eind ben ik wel bedreven in het ontwijken van de agressieve verkoop: als een meisje mij haar stalletje in wil lokken met de vraag of ik een tas wil voor mijn vriendin, vertel ik haar dat ik geen vriendin heb. Voor mijn moeder dan reageert ze. Ik pareer dat ik geen familie heb. Hierop moet ze even nadenken. "Voor een toekomstige vriendin dan!" Ik lach en zeg dat ik homo ben. Hierop moet ze lachen en slaat ze me met de portemonnee die ze net een Amerikaanse vrouw probeerde aan te smeren op de arm.

Ik heb in 3 dagen Beijing genoeg verhalen opgedaan voor een heel boekwerk, maar deze post is al te lang geworden. Het was in ieder geval een heel interessant en goed begin van mijn reis!